DE RASPUNTEN VAN DE BOUVIER DES FLANDRES

(VLAAMSE VEEDRIJVER)

Standaard F.C.I. nr. 191 d.d. 7 juli 1993.

 

ALGEMENE EIGENSCHAPPEN

Zijn gedrongen lichaamsbouw, een korte romp geplant op sterke en goed gespierde ledematen geven aan zijn optreden een indruk van macht, zonder dat het geheel een gevoel van logheid opwekt. De Vlaamse Veedrijver heeft een vurige blik, waaruit schranderheid, wilskracht en durf blijken. Het karakter is bezadigd en verstandig, het voorkomen dat van een “wijze durver”.

 

KOP

De kop heeft een massief voorkomen; deze indruk wordt nog vermeerderd door baard en snor.

In werkelijkheid moet het hoofd evenredig zijn met gestalte en bouw. Bij betasting bevindt men dat het hoofd goed belijnd is.

 

SCHEDEL (VOORHOOFD)

Goed ontwikkeld, vlak, iets minder breed dan lang. De lijnen van schedel en neusrug verlopen evenwijdig. De verhouding in lengte van schedel en snuit zijn als van 3 tot 2.

 

VOORHOOFDGROEF

Deze is weinig afgetekend.

 

STOP

Weinig afgetekend, meer schijn dan werkelijkheid, zulks door de opstaande wenkbrauwen.

 

SNUIT

Breed en machtig, beenderig met een rechtlijnige neusrug, zich naar de neus toe lichtelijk vernauwend, zonder dat de neus puntig wordt. De lengte is in verhouding tot de schedellengte als van 2 tot 3, en de omtrek van de snuit juist onder de ogen genomen is ongeveer gelijk aan de totale lengte van het hoofd.

 

NEUS

Is de verlenging van de neusrug die in een licht gebogen lijn naar de neusopening overgaat. Deze moet goed ontwikkeld zijn, de wanden afgerond met open neusgaten. De kleur is steeds zwart.

 

WANGEN

Droog, vlak.

 

OREN

Stand, hoog ingeplant, boven het niveau der ogen, de oorschelpen vallen verticaal; de breekplooi mag niet boven het schedelpunt uitsteken. Vorm en dracht halflang, in de vorm van een gelijkzijdige driehoek, lichtjes afgerond op de punt, platvallend op de wangen, echter bij de aanzet aan het hoogste punt is er een lichte afzet; niet geplooid, niet fladderend, in verhouding tot de grootte van het hoofd, bedekt met kort haar.

 

OGEN

De uitdrukking is wilskrachtig; noch uitpuilend, noch te diep liggend in de oogholten. De ogen zijn enigszins langwerpig licht ovaal en horizontaal geplaatst. De kleur moet zo donker mogelijk zijn, in verhouding met de kleur van de vacht. Lichte ogen, ook deze met een wilde uitdrukking, moeten streng bestraft worden.

 

OOGLEDEN

Zwart van kleur, zonder tekens van depigmentering. De bindvliezen mogen niet zichtbaar zijn.

 

KAKEN EN TANDEN

De kaken moeten sterk en van gelijke lengte zijn. De tanden sterk, wit en gezond. De boven- en snijtanden moeten op de onderste glijden als de lemmeten van een schaar, of op elkander passen als een nijptang.

 

HALSPARTIJ

De hals wordt vlot gedragen; hij is sterk gespierd en verbreedt zich geleidelijk naar de schouders toe; de lengte van de hals moet iets minder zijn dan de lengte van het hoofd. Nek fors en licht gewelfd. Geen keelhuid.

 

SCHOFT

Mag lichtelijk uitspringen.

 

ROMP

De romp is fors met brede rug en kort. De lengte, gemeten vanaf het boeggewricht tot aan het zitbeen moet ongeveer gelijk zijn aan de schofthoogte. De borstkas moet tot aan de ellebogen reiken en mag niet cilindrisch zijn. De diepte van de borstkas, dat wil zeggen de afstand tussen het boeggewricht van de laatste rib, moet zeer groot zijn, ongeveer 7/10 van de schofthoogte.

 

RIBBEN

De eerste ribben zijn licht gebogen, de andere gewelfd en zeer naar achter gericht om de gewenste diepte van de borstkas te bekomen. Vlakke ribben moeten zwaar bestraft worden.

 

FLANKEN

De flanken, tussen de laatste rib en de heup gelegen, moeten zeer kort zijn, bijzonder bij de reuen. De buik is weinig opgetrokken.

 

RUG

Kort, breed, gespierd en goed verlopend, zonder zwakheid te tonen; hij moet nochtans lenig blijven.

 

LENDENEN (NIERENPARTIJ)

Kort, breed, gespierd. Zij moeten lenig zijn, zonder enige zwakheid te vertonen.

 

KRUIS

In horizontale lijn met rug en lendenen om geleidelijk over te gaan tot de ronding van de dijen. Breed zonder overdrijving bij de reu; meer ontwikkeld bij de teef. Een afzakkend of een afvallend kruis is een ernstige fout.

 

STAART

Moet in de normale verlenging van de ruggengraat zijn en hoog gedragen worden gedurende de bewegingen.

 

VOORHAND

De ledematen moeten goed gebot en gespierd en volkomen recht zijn.

 

SCHOUDERS

De schouders zijn relatief lang gespierd, maar niet overladen. Het schouderblad is tamelijk lang en matig schuinsliggend. Het opperarmbeen en het schouderblad zijn van ongeveer dezelfde lengte.

 

ELLEBOGEN

Goed aan de romp aansluitend en evenwijdig. Uitstekende of naar binnen staande ellebogen zijn fout. Bij het gaan moet zij zich bewegen in vlakken, evenwijdig aan de middenlijn van het lichaam.

 

VOORBENEN

Zij moeten recht zijn, zowel van voren als van ter zijde gezien, evenwijdig met elkaar en in loodrechte lijn met de bodem. Zij moeten gespierd en zwaar gebot zijn.

 

POLSGEWRICHTEN

Recht, in lijn met de voorbenen. Het hielbeentje alleen is aan de achterzijde uitspringend. Zwaar gebot.

 

MIDDENVOETEN

Zwaar gebot, tamelijk kort, zeer weinig voorwaarts geplooid.

 

VOORVOETEN

Kort, rond,sterk. De tenen moeten gesloten en gewelfd zijn. Sterke en zwarte nagels. Zolen dik en hard.

 

ACHTERHAND

Machtig, zeer flink gespierd. Zij moeten zich in dezelfde richting als deze van de voorhand bewegen.

 

DIJEN

Breed, zeer gespierd. Hun bewegingen moeten in met de middenlijn van het lichaam gelijklopende vlakken gebeuren. Het dijbeen moet noch te recht, noch te schraag zijn. De schenkel laag komen, gevuld en ferm gevleesd zijn. De knieschijf is geplaatst op de denkbeeldige lijn, die gaat van het hoogste punt van het darmbeen tot aan de grond.

 

BENEN

Middelmatig van lengte, goed gespierd, niet recht noch te schuin.

 

MIDDENVOET

Sterk en pezig, eerder cilindrisch en loodrecht met de grond, als de hond “geplaatst” staat.

 

SPRONGGEWRICHTEN

Eerder laag bij de grond, breed, evenwijdig “in de stand”. Bij het gaan, mogen zij noch sluiten, noch afzetten, en zich daardoor van de loodrechte lijn verwijderen.

 

ACHTERVOETEN

Rond, sterk, de tenen goed gesloten en gewelfd. Sterke en zwarte nagels, zolen dik en hard.

 

VACHT

De vacht is weelderig, het dekhaar vormt met het dichte onderhaar een beschuttende bekleding, aangepast aan het plotseling veranderend klimaat van het oorspronggebied van het ras.

 

KLEUREN

De vacht van de bouvier des Flandres is over het algemeen wildkleurig of grijs, meestal gestroomd of zwart gevlamd; ook een zwarte vacht wordt erkend, maar zal geen voorkeur mogen genieten. De lichtgekleurde vachten, genaamd ontkleurde vacht, zijn niet gewenst.

 

HAAR

Moet ruig aanvoelen, droog en dof zijn, noch te lang, noch te kort (ongeveer 6 cm) , lichtjes warrelig, maar zonder wollig of gekruld te zijn. Op de schedel is het haar kort, zeer kort zelfs op de buitenkant der oren, maar de ooropeningen zijn beschut door niet te lange haren. Het haar is bijzonder hard en krassend op de bovenrug; het is korter op de onderste der ledematen, alhoewel het daar ook ruig blijft. Glad aanliggend haar dient te worden vermeden, daar zulks veroorzaakt wordt door een gemis aan onderwol.

 

ONDERHAAR

Een onderwol, gevormd door fijne en dichtgesloten haren die onder het dekhaar groeien, vormt samen met het dekhaar een waterdichte bekleding.

 

SNOR EN BAARD

Goed gevuld. Het haar moet droog zijn, korter en ruwer zijn op de bovenkant van de snuit. De bovenlip heeft een snor, en de kin een goed gevulde en ruige baard, die aan het ras de gewenste grimmige uitdrukking geeft.

 

WENKBRAUWEN

Worden gevormd door rechtopstaande haren, die de vorm van de wenkbrauwbogen doen uitkomen, zonder echter de ogen te bedekken.

 

GROOTTE EN GEWICHT

Schofthoogte, deze is:

Van 62 tot 68 centimeter bij de reuen;

Van 59 tot 65 centimeter bij de teven.

Bij beide is de ideale schofthoogte het gemiddelde van de opgegeven maten, dus:

65 centimeter bij de reuen, 62 centimeter bij de teven.

 

GEWICHT

Is ongeveer 35 tot 40 kilogram bij de reuen, van 27 tot 35 kilogram bij de teven.

 

GANGEN

De algemene verhoudingen van de Bouvier des Flandres vormen een evenredig geheel, ten einde een vrije,franke en fiere gang te veroorloven. Stap en korte draf zijn de gewone gangen van de Bouvier des Flandres.

 

GEDRAG EN KARAKTER VAN DE BOUVIER DES FLANDRES        

In de standaard staat de bouvier omschreven als waakzaam, moedig en trouw.

Het is goed om meer van het karakter te weten van de bouvier, daar u met deze hond ongeveer 10 tot 12 jaar moet samenleven.

Een bouvier is een fijne hond maar hij leert langzaam.

Een pup die zo uit het nest bij de nieuwe eigenaar komt is gelukkig als hij in het gezin komt waar hij het middelpunt is. De eerste nacht zal vervelend zijn voor de pup daar hij zijn broertjes en zusjes zal missen, maar een kruik of desnoods een tikkende wekker bij hem in de mand of de doos en hij zal zich minder eenzaam gaan voelen.

Zoals u reeds heeft gelezen leert de bouvier langzaam maar wat hij eenmaal geleerd heeft vergeet hij ook nooit meer.

De bouvier staat bekend als goede kindervriend, dit is ook zo, maar laat uw hond nooit alleen bij kleine kinderen, je weet nooit wat de kinderen zullen doen !

Als u de bouvier leert wat wel en niet mag en de hond weet wie zijn baas is zult u een vriend voor het leven hebben gevonden en nooit meer een ander ras willen hebben.

Kinderen en een Bouvier

 

     

 

VERZORGING VAN DE VACHT

De bouvier moet ruwharig zijn. Tijdens de ruiperiode valt het haar niet vanzelf uit. Daarom moet de bouvier twee keer per jaar worden getrimd, hetgeen gebeurt als de haar “rijp” is.

Onder trimmen verstaan we het uitplukken van het dode haar met wortel en al.

Verder volstaat 1x per week goed borstelen en kammen.

 

 

 Vorige pagina